Innovatie

Innovatie in en bij de overheid is een van de terugkerende thema’s in mijn werk. Jarenlang heb ik gewerkt aan innovatieve programma’s, met vallen en opstaan. De typerende eigenschappen van het innovatieproces blijven mij fascineren.

Ter inspiratie deze cartoon van Tom Fishburne:

brand_camp_lifecycle_of_innovation_resized3

Nieuw innoveren i.p.v. krimpen

woensdag 28 augustus 2013
Een van mijn fascinaties is de vraag hoe wij tot innovaties komen. En in het bijzonder hoe het innovatieproces zelf zich vernieuwt.

Inspiratie

Met welke bril we ook kijken naar innovatie, het begint er mee dat iemand iets nieuws wil bereiken, de inspiratie heeft om iets te scheppen dat er nog niet is. In NRC van 10 augustus 2013 is prof. Paul Peter Tak aan het woord. Na een wetenschappelijke carrière in Nederland stapte hij over naar de farmaceutische industrie: GlaxoSmithKline, de firma die nogal eens in het nieuws is i.v.m. financiële kwesties om het maar voorzichtig te zeggen. Tak zegt:

“Zij (de leiding van het concern) vroegen toen wat het meest fascinerende was dat ik kon doen. Reuma of diabetes voorkomen, zei ik, maar ik neem aan dat dit voor een farmaceutische industrie irrelevant is, want er is geen verdienmodel bij te bedenken.”

“Het verdienmodel komt later wel, zeiden ze. Als dat het beste is wat je voor mensen en de samenleving kunt doen, moet je dat doen. Ik viel bijna van mijn stoel van verbazing. Uiteindelijk ontstond het vertrouwen. Nu werk ik er twee jaar en het blijkt dat er inderdaad zo wordt gedacht.”

Hoe 

Dat geldt ook voor de manier waarop. Een interessante vernieuwing voltrekt zich. Het inzicht dringt door dat de manier van werken uit het verleden niet meer past. De enorme winsten met enkele kaskrakers, blockbusters, die beschermd zijn met patenten komen veel minder voor en verdwijnen misschien helemaal. Dus het moet anders. Bij GlaxoSmithKline zijn nu voor het eerst onderzoeksgroepen gestart die niet als primaire doel hebben de winst te laten stijgen.

“We experimenteren met onderzoeksmodellen voor de ontwikkeling van medicijnen. Een ervan is dat we alles in eigen huis doen, in groepen die helemaal werken als beginnende biotech-bedrijfjes. Ze heten drug performance units, DPU’s. We brengen de menselijke maat terug, en de zichtbaarheid van wat mensen doen.”

De units leggen plannen voor aan de “discovery investment board” waarbij ook mensen van buiten het concern betrokken zijn. Daar worden de budgetten bepaald. Tak heeft nu naast de afdeling die zich bezighoudt met klinische ontwikkeling van medicijnen, zes units waarin ieder 20 tot 50 mensen werken.

Toekomst

Op deze manier stijgen de kansen op bruikbare vindingen. Interessant is om te zien wat er in de volgende fase gebeurt en wat dan het verdienmodel wordt. Want investeerders verwachten uiteindelijk wel rendement. De werkwijze is veelbelovend, zeker als we die vergelijken met de Nederlandse academische wereld. Daarover zegt Tak:

“Ga je in Nederland bij universiteiten langs, dan luistert men beleefd. En daarna gebeurt er niks. Ik denk dat de visie ontbreekt dat hier een enorme kans ligt.”

De vraag is: wat is er nodig om de boel in Nederland in beweging te krijgen?

Nieuw innoveren in plaats van inkrimpen!

De innovatieve toekomst 

woensdag 10 juli 2013

Soms zijn toekomstvoorspellingen op basis van waarneming van trends behoorlijk goed. Kijk maar eens naar dit plaatje van ongeveer 100 jaar geleden.

1900-postcards-outside-theatre

Maar veel vaker zitten we er met onze verwachting flink naast. Daar moet ik aan denken als ik scenario’s voorbij zie komen die doorgaans zijn gebaseerd op wat we nu zien. Een mooi voorbeeld daarvan is de trendvoorspelling van Ronald Berger. Als we de ingezette lijn doortrekken komt die in 2030 uit op bijvoorbeeld volledig gerobotiseerde chirurgische ingrepen en geautomatiseerde kinderopvang. En in 2030 woont het overgrote deel van de bevolking in steden.

Het is interessant om die toekomstverkenningen te bekijken. Door dat te doen hebben we invloed op de toekomst. We kunnen de vraag stellen: willen we dat wel? Het is bijvoorbeeld goed voorstelbaar dat de trend om allemaal in de stad te gaan wonen omslaat naar het tegendeel. Wat betreft werk is er steeds minder reden om naar de stad te trekken en de vergrijzende bevolking heeft meer behoefte aan rust dan aan drukte, om maar iets te noemen. De leegstaande kantoorgebouwen zijn een voorteken van het einde van de urbanisatietrend en de revival van het platteland.

Toekomstvoorspellingen die zich beperken tot het doortrekken van trendmatige ontwikkelingen zijn erg beperkt. Ze houden geen rekening met echte veranderingen en innovaties die voortkomen uit wat we willen. Het gesprek daarover is pas echt interessant.

Uit het rapport van Ronald Berger

Grand challenges

dinsdag 4 juni 2013
Grand challenges is de Europese benaming voor grote maatschappelijke vraagstukken zoals klimaatverandering en vergrijzing, waarvan niemand weet hoe je die moet oplossen. Althans niemand in zijn eentje. Om die grote vraagstukken aan te pakken is een multidisciplinaire benadering nodig, bereidheid om samen nieuwe wegen te zoeken, kenniscoproductie, cocreatie. En daar zijn we nog helemaal niet zo goed in, kenniscoproductie gaat niet vanzelf. Over wat daar dan voor nodig is heeft het Rathenau Instituut een studie gepubliceerd. De aanbevelingen, gebaseerd op een aantal beschreven praktijkvoorbeelden, kort samengevat:
  1. De overheid moet de leiding nemen bij het organiseren en faciliteren van projecten voor kenniscoproductie.
  2. Deelnemers moeten een vrije, beschermde ruimte inrichten, met eigen prestatienormen.
  3. Hanteer praktische richtlijnen zoals dat organisaties een representatieve afspiegeling vormen en dat er een professionele procesbegeleider is.

Eerlijk gezegd ben ik niet onder de indruk van de aanbevelingen. Dat komt omdat de aanbevolen manier voor het organiseren van de samenwerking past bij de traditionele manier van werken. De grootste uitdaging voor nu is om die manier te veranderen. Innovatie van het innovatieproces is de grand challenge waarvoor we staan.

Innovatief en flexibel

Is meer flexibiliteit vernieuwend of juist niet? Die vraag is nu beantwoord door een onderzoek dat als uitkomst heeft dat mensen met een vaste betrekking meer met innovatie betrokken zijn dan anderen. Het lijkt er toch echt op dat meer flexibiliteit op de arbeidsmarkt eerder tot minder, dan tot meer innovatie leidt.

Toch is het geloof in die aanname bij veel economen en politici hardnekkig aanwezig. Dat komt omdat men de verandering in de arbeidsvoorwaarden als vernieuwend ziet. Men verwart daardoor flexibiliteit met innovatie. Maar het is dus echt iets anders. Innovatieve arbeidsvoorwaarden leiden tot minder product- en procesinnovatie. Wie daar meer aan wil doen moet medewerkers stabiliteit geven. Een stevige onderkant zodat je wat kan experimenteren zonder dat alles omvalt!

Duitsland

Vasthoudend innoveren

In februari presenteerde de Adviesraad voor het Wetenschaps- en Technologiebeleid in samenwerking met het Duitsland Instituut, een onderzoek naar het Duits wetenschapsbeleid onder de titel “Vasthoudend innoveren”. Onze oosterburen doen het in vele opzichten beter dan wij. Dus daar is iets van te leren. Het onderzoek brengt heel goed in kaart hoe en wat Duitsland op dit gebied doet en presteert. En dat is behoorlijk veel.

Bij de presentatie vielen mij 3 dingen op.

  1. De reactie van de staatssecretaris Sander Dekker. Op luchtige manier ging hij in op de verschillen door deze te verklaren. Bijvoorbeeld hoe het komt dat de Duitse industrie als percentage van het bbp meer dan twee keer zoveel investeert in R&D dan de Nederlandse bedrijven. Daarmee is het al bijna uitgesloten iets van de andere aanpak te leren. We nemen er kennis van, maar wij doen het toch anders. Dat sluit overigens aan bij de toon van het rapport dat heel voorzichtig is geformuleerd. Het meest gebruikte woord is “wellicht” (kunnen we er iets van leren…) We hebben er blijkbaar veel moeite mee, met dat leren.
  2. De essentie van het verschil tussen de Duitse aanpak en de Nederlandse is dat Nederland heeft gekozen voor het behouden van de topsectoren waarin we uitblinken. Duitsland gaat uit van de vraag welke uitdagingen op ons afkomen en wat er voor nodig is om deze in de toekomst succesvol aan te pakken. Anders gezegd: Nederland is behoudend, kijkt meer achterom dan vooruit, Duitsland is toekomstgericht.
  3. In Duitsland is het veel gebruikelijker na een universitaire studie een promotieonderzoek te doen. Het gevolg daarvan is dat een onderzoekende houding ook in het bedrijfsleven meer gemeengoed is. De bereidheid om te investeren in R & D is mede daardoor een stuk groter. In Nederland lijkt juist minder ruimte voor reflectie en onderzoek te zijn.

Wat we ervan kunnen leren is dat de Duitse benadering meer uitgaat van de kansen en dus meer aansprekend is voor ondernemers. Dat stimuleert de samenwerking van de kennisinstituten en het bedrijfsleven die nodig is om nieuwe maatschappelijke uitdagingen aan te kunnen. Voorwaarde is dat we dan niet beginnen met het verklaren van de verschillen, maar op zoek gaan naar de win-win en daar de inzet op richten. Vasthoudend en flexibel tegelijk. En natuurlijk: willen leren en onderzoeken.

Geef een reactie